KNNV-afdeling Voorne

Verslag 25 jaar broedvogel inventarisatie Beningerslikken

Beningerslikken 25 jaar geteld.

In de periode van 1984 tot en met 2008 zijn de verschillende deelgebieden van de Beningerslikken op broedvogels geïnventariseerd. Een rekensommetje leert ons dat dit dan neer komt op 25 teljaren. Dit is door totaal 15 vrijwilligers uitgevoerd. Wel is waar heeft de MKZ eigenlijk voor een gat van één jaar gezorgd, maar toch heeft de vogelwerkgroep besloten er een verslag van te maken. Dit verslag is op deze website geplaatst: http://www5.knnv.nl/sites/www5.knnv.nl/files/users/voorne/BMP25jaarBeningerslikken_lowres.pdf

Helaas zijn er vanaf 2005 te weinig tellers geweest om per seizoen een dekkende inventarisatie uit te voeren. Dus wordt het sindsdien in aangepaste vorm gedaan.
Het doel van deze broedvogelmonitoring is om bij te houden wat er leeft in het terrein en om een zo goed mogelijke afstemming van de beheerdoelstellingen te bereiken.
In het verslag kunt u uitgebreid lezen over de geschiedenis, de wijze en opzet van de telling. Tevens is door een aantal tellers een belevenis opgesteld die in het verslag zijn bijgevoegd.
De gegevens van de geïnventariseerde deelgebieden van de Beningerslikken zijn in tabellen verwerkt. Uiteindelijk zijn deze tabellen, en de aan de hand hiervan opgestelde grafieken met een korte soortbeschrijving, opgenomen in het verslag. Tenslotte is er ook nog een totaallijst van alle vogels (dus ook niet broedvogels), andere dieren en een totaallijst van de plantenwerkgroep van de KNNV afdeling Voorne, in dit verslag bijgevoegd.

Benigerslikken/Hans op den Dries

De Beningerslikken is een fantastisch en bijna uniek langgerekt rietruigte gebied met enkele delen grasland. Het is eigendom van Natuurmonumenten en is gelegen op het eiland Putten  aan het Haringvliet bij de Spuimonding. De totale oppervlakte is ongeveer 384 ha.
Zelf heb ik sinds 1993 dit gebied mogen inventariseren. Al vanaf het begin had ik het gevoel dat dit “mijn” gebied was. Dit sloeg natuurlijk nergens op, omdat er niets van mij bij was.
Ik voelde het als een voorrecht dat ik hier mocht inventariseren.
Na de rondleiding die ik van Hugo van der Wal destijds kreeg, ben ik het gebied steeds beter gaan leren kennen. Het was zaak dat je in de vegetatie al snel een vaste route aanlegde. Hiermee had je enigszins de garantie dat je bij de volgende tellingen makkelijker door het gebied kon komen en daarbij beter je aandacht op de vogels kon vestigen. Dit was ook nodig, omdat namelijk naar gelang het seizoen vorderde er steeds meer vogels binnenkwamen. Daarnaast deed de begroeiing verwoede pogingen om met rap tempo omhoog te komen. De “getrokken” paden waren dus van groot belang. Zaak was ook om ze steeds weer te belopen en open te houden. Als je dit consequent volhield lukte dat ook en had je er veel profijt van.
Een punt van zorg was altijd de koeien. Deze werden begin mei in het gebied los gelaten en gingen al gauw op ontdekking uit. Het heeft wel wat jaren geduurd voordat er een goede balans in het gebied werd gevonden met betrekking tot het aantal koeien. De begrazingsdruk van het vee was erg belastend voor de vogelpopulatie. Veel vogels konden ondanks de koeien hun ei wel kwijt, maar anderen daarentegen waren hun nest niet zeker. Vooral de bruine kiekendief kon gemakkelijk overlopen worden of voortijdig verjaagd worden door de koeien. Ze liepen als olifanten door een porseleinkast. Het leek wel of het gras elders constant groener was en vooral jong riet moest het vaak ontgelden.
Ook de ganzen hadden in het voorjaar zo hun negatieve invloed op het riet. Het jonge opkomende riet vonden ze heerlijk en dat werd vaak dan ook op grote schaal genuttigd. De schade aan het riet was op sommige delen enorm. Wel is gebleken dat bij verminderde druk het riet weer snel kon herstellen. Ook de vogels zijn flexibel. Zodra de situatie verbeterde namen de vogels gelijk weer bezit van het gebied.
Tijdens de tellingen moest je vooral oppassen dat je niet zomaar een koeienspoor volgde. Deed je dat wel, dan kwam je vaak bedrogen uit. Plotseling wist je niet meer waar je was, zeker als de massaal aanwezige wilgenroosjes, guldenroede en andere ruigte menshoog was geworden. Je trachtte over de begroeiing heen te kijken om je locatie en de richting te bepalen, zodat je de draad weer op de juiste plaats kon oppakken. Hogere struiken en boompjes waren dan vaak je redding, als je deze tenminste herkende.

Ik heb altijd erg hoge eisen aan geluidsherkenning gesteld. Dit vond ik van hoog belang om zodoende in het veld niet voor verrassingen te komen staan. Het gehele jaar door kun je geluiden oefenen met de CD, maar natuurlijk is de aanvulling van vogels in het veld zien en horen het aller belangrijkste. Dus oefenen, oefenen en nog eens oefenen.
Soorten als winterkoning en heggenmus lieten zich als eerste zangvogels horen. Deze geluiden zijn niet de moeilijkste. Al gauw werden ze aangevuld door de blauwborst die al vroeg, rond eind maart, van zijn winterkwartier terug kwam. Je kreeg ruimschoots de tijd om de bijzonder mooie zang van deze prachtige vogel goed tot je door te laten dringen. In het begin was de blauwborst nog wat schuw. Hij bleef vaak laag in het riet en de ruigte zitten en met een beetje geduld kon je hem langzaam maar zeker al zingend omhoog zien kruipen in de ruige begroeiing. Mooie lange strofes klonken, soms van meerdere exemplaren, om je heen. De stilte werd dan vriendelijk onderbroken. Jammer was dan altijd wel dat je weer verder moest, maar dat was aan de andere kant ook weer spannend, want de vraag rees al gauw of andere vogels al weer binnen zouden zijn. Zo was ook de weemoedige, maar toch ook zeer subtiele zang, van de fitis al snel in het gebied aanwezig. Het aantal broedparen kon oplopen tot wel veertig exemplaren in een deelgebied van ongeveer 30 ha. Daarnaast liet ook de tjiftjaf zich met zijn onmiskenbare tjiftjaf-tjiftjaf-tjiftjaf zang al in de eerste weken horen.
Zo kwamen, gaande weg het seizoen vorderde, de soorten druppelsgewijs binnen. Je leerde dus de vogelgeluiden opbouwend kennen.

Blauwborst/Hans op den Dries

De Beningerslikken is voor een groot deel een uitgesproken rietvogelgebied. Vooral in het begin van de 25 jaarstelling was er nog veel riet aanwezig. De rietgorzenpopulatie was toen ook aanzienlijk groter dan nu. Aantallen van 130 of meer was normaal. Na 1997 is het aantal rietgorzen drastisch afgenomen met als diepte punt 2007 met 53 exemplaren. Hiermee werd ook duidelijk dat het gebied steeds meer aan het verruigen was, waardoor andere soorten als blauwborst, rietzanger en bosrietzanger zich er beter thuis gingen voelen.
Het baardmannetje is ruim voor de inventarisatieperiode een algemene broedvogel van dit gebied geweest, maar in de verslag periode is het aantal nooit hoger dan 13 territoria geweest. De laatste jaren is het zelfs steeds spannend geweest of er een territorium genoteerd kon worden.
Ook zijn met het verruigen van het gebied steeds meer vogels van kleinschalig landschap in het gebied algemeen geworden. Zo is de merel, tuinfluiter, grasmus, winterkoning en heggenmus behoorlijk in aantal toegenomen. De zanglijster is zelfs een broedvogel van de laatste jaren.
Een ander feit is dat het gebied voor de snor te droog is en dus minder geschikt, maar een enkel broedgeval (volgens SOVON normen) is in de periode wel genoteerd. Daar en tegen voelt de sprinkhaanzanger zich er des te meer thuis.
De weidevogels hebben het om nog onduidelijke reden niet goed in het gebied. De kievit en de tureluur kunnen ternauwernood het hoofd boven water houden, maar de grutto dreigt het toch te verliezen. Het gebied kan in het voorjaar erg nat zijn, maar binnen korte tijd kan het ook omslaan tot grote droogte.  Dit is voor grutto’s natuurlijk niet goed. Ze hebben vochtige grazige weiden nodig waar voldoende dekking en voedsel is voor hun kroos.
Of dit echt met de Beningerslikken te maken heeft is maar de vraag, omdat tenslotte de grutto het overal moeilijk heeft.

Het verslag behelst natuurlijk veel meer en zal over de 25 jaren een compleet beeld geven van de inventarisaties en de resultaten.

Tjiftjaf/Hans op den Dries

Inmiddels is er op 11 januari 2011 een kwaliteitstoetsdag Beningerslikken geweest. Het doel van deze dag was om het beheer van de afgelopen zes jaren te evalueren en voor de komende zes jaren weer opnieuw vast te stellen. Deze werd gehouden door Natuurmonumenten en was geheel voorbereid door Gerdien Misbeek. Zij heeft een conceptrapport opgesteld voor deze dag. Dit rapport is, door Natuurmonumenten ((hoofd)kantoorpersoneel, veldwerkers) en de coördinator van de Beningerslikken, bestudeerd en doorgenomen. Er is deze dag in het gebied gekeken en er heeft vervolgens een zinvolle evaluatie plaats gevonden. Discussiepunten zijn besproken en aanbevelingen van de veldmensen zijn in de beslissingen meegenomen. Uiteindelijk heeft het tot een positief resultaat geleid waarmee we weer zes jaren verder kunnen.

Nog even een paar wetenswaardigheden van de Beningerslikken over de jaren 1984 t/m 2008.

Wist u dat:
- dit 82 broedvogels heeft opgeleverd;
- dit 88 niet broedvogels heeft opgeleverd;
- totaal 170 soorten zijn die op enigerlei wijze iets met de Beningerslikken hadden;
- er van vier bepaalde jaren nagenoeg geen gegevens terug te vinden zijn;
- de buien heel vaak onderlangs het Haringvliet en / of bovenlangs de Maas voorbij trokken;
- er in maart en april wel eens geteld is tijdens sneeuwbuien;
- de meest vreemde waarneming een zwartmaskerwever in 1987 was, tijdens een ringsessie;
- er tijdens deze ringsessie ook een veldrietzanger en een waterrietzanger geringd zijn;
- er in 1970 ook al eens 7 waterrietzangers zijn geringd;
- er in maart 2003 een klapekster uit volle borst zat te zingen in het gebied;
- er de jaren door totaal 15 tellers actief zijn geweest voor zeven onderverdeelde gebieden;
- er nu nog vier tellers proberen het hoofd boven water te houden om heel het gebied te tellen;
- de top tien van de vogels over alle jaren bestaat uit:
 1 bosrietzanger (2543 territoria)
 2 kleine karekiet (2510 territoria)
 3 rietgors (2142 territoria)
 4 fitis (1976 territoria)
 5 blauwborst (1488 territoria)
 6 rietzanger (1402 territoria)
 7 wilde eend (1173 territoria)
 8 kievit (989 territoria)
 9 winterkoning (906 territoria)
 10 grasmus (834 territoria)
- er in totaal ongeveer 9000 manuren aan tel- en verwerkingsuren is geïnvesteerd;
- er ook al 18 jaar lang vuil geruimd wordt in dit gebied;
- hierbij ruim 70 kubieke meter afval verzameld is;
- dit door ongeveer 8 mensen per keer werd uitgevoerd op elke laatste zaterdag van februari;
- dit tot nu toe neer komt op totaal ongeveer 400 manuren;
- tot slot, als een stier je achterna zit je harder kan lopen en hoger kan springen dan je dacht, sinds dien lopen er geen stieren meer in de Beningerslikken.

Ook al zijn we nu met minder mensen, toch hebben we besloten verder te gaan met inventariseren. Dit gebeurd dan wel in een aangepaste vorm, namelijk het hele gebied in twee jaar tellen.

Ik wens u namens de tellers van de Beningerslikken veel leesplezier.

Met vriendelijke groeten,
Hans op den Dries

Klik hier voor het verslag "Broevogelinventarisatie 25 jaar Beningerslikken"

Reageren?: info@voorne.knnv.nl